ok2024menu



Het 'pijploze orgel' in de Van Harenskerk te Sint Annaparochie Friese Orgelkrant 2024
 

Tijd voor een reconstructie?

In 1966 leerde ik mijn (latere) echtgenote kennen. Zij woonde op de Oudebildtdijk onder Sint Annaparochie. Samen bezochten we regelmatig de kerkdiensten in dit fraaie kerkgebouw. Triest om boven bij het orgel de plaats te zien waar ooit de organist zat, midden voor het orgel. Dichtgezette registergaten, de lessenaar en de ruimte waar de klaviatuur hoort te zitten getuigen daar nog van. In die tijd werd het instrument aan de zijkant bespeeld. Een losse speeltafel met registerwippers e.d. Nu is die ook verdwenen en vervangen door een elektronicum en hangen er luidsprekers in de kas i.p.v. pijpen. Hieronder eerst een kort overzicht van de orgelhistorie van de drie ‘Parochies’.

Sint Jacobiparochie
In 1652 schonk de rijke boer Willem Dirk Arjens uit de Westhoek het geld voor een orgel in de toenmalige Kruiskerk. Wellicht gebouwd door de in de directe omgeving (Berlikum) wonende orgelmaker Willem Meinerts. Aan dit orgel is later gewerkt door o.a. Jan Harmens, Schwartzburg en Spooreman. Na de sloop van de oude en de bouw van de nieuwe imposante kerk naar een ontwerp van de Leeuwarder architect Thomas Romein bouwde de orgelmaker Luitje Jacob van Dam dit instrument om naar de huidige staat. In 1845 werd het in gebruik genomen. Het in 1988 gerestaureerde instrument bevat nog altijd veel 17e- en 18e-eeuws pijpwerk.

Vrouwenparochie
Eind januari 1844 werd in de dorpskerk van Vrouwenparochie een nieuw orgel in gebruik genomen. Dit eveneens door Luitje Jacob van Dam vervaardigde instrument was het eerste orgel in dit sobere kerkgebouw. Na de herstelling en uitbreiding in 1943 is het fraaie instrument nu weer teruggebracht naar de oorspronkelijke staat (zie ook het artikel van adviseur Theo Jellema elders in deze krant).


“krijschend en gillend, als zongen ze een klaaglied over de verwoesting die hier over alles is gegaan”


Sint Annaparochie
Van het oudste orgel (1727) in de v.m. gemeente Het Bildt resteren alleen nog kas en frontpijpen in de Van Harenskerk. Jarenlang is aangenomen dat dit orgel vervaardigd was door de Leeuwarder orgelmaker Johann Michaël Schwartzburg, onderzoek door Jan Jongepier bracht aan het licht dat Johannes Radeker de maker moet zijn geweest. Radeker was een tijdlang leerling van Arp Schnitger en knecht bij Christian Müller tijdens de bouw van het orgel in de Grote- of Jacobijnerkerk te Leeuwarden. Het Stannebuurster instrument was, zoals nog steeds op het rugschot te lezen is, een geschenk van grietman Willem van Haren en zijn echtgenote Rixt van Andreae. Het bezat volgens Knock (1788) de volgende dispositie: Prestant 8’, Holpijp 8’, Octaaf 4’, Octaaf 2’, Gemshoorn (2’?), Flageolet (1’?), Mixtuur, Sexquialter, Trompet 8’ en Vox Humana 8’. De klavieromvang was C-c3, er was geen pedaalklavier aanwezig. De windvoorziening bestond uit drie spaanbalgen. Het fraaie snijwerk aan de kas en van het rugschot is zeer waarschijnlijk van de hand van de Leeuwarder beeldhouwer Jacob Sydses Bruinsma die in dezelfde periode werkzaam was aan het Müller-orgel in die stad en Radeker ongetwijfeld gekend heeft. Tussen 1735 en 1775 was het onderhoud in handen van Schwartzburg en diens opvolger Pieter de Vries. In 1786 herstelde Johannes Spooreman uit Franeker het klavier en de balgen terwijl in 1792 Albertus van Gruisen een reparatie uitvoerde. In 1844 zijn er plannen om het orgel te repareren en bij de tijd te brengen. Luitje Jacob van Dam maakt op verzoek van de kerkvoogden een rapport met aanbevelingen (wilde men in Sint Anna niet achterblijven bij Vrouwbuurt en Sint Jacob?). Lambertus II van Dam – vader Luitje Jacob was inmiddels overleden – levert enkele jaren later (1847?) op verzoek van de kerkvoogden drie plannen in:
  • reparatie van het bestaande orgel en het waterpas zetten van de orgelkas;
  • reparatie, dispositiewijziging, verplaatsing naar voren, een nieuwe windlade en klavier van 54 toetsen. Het klavier zou aan de zijkant komen. De orgelkas zou naar voren geschoven en verlaagd worden zodat tevens de balgen verder naar voren konden worden verplaatst, verder van de oostmuur af. Het probleem was n.l. de ‘dampheid’ van deze vochtige buitenmuur. Het rugschot zou tegen de balustrade komen te hangen. I.v.m. de verzakking en verschuiving van de kas stelde de orgelmaker voor om ook de drie pilaren onder de galerij naar voren te verplaatsen;
  • Een nieuw tweeklaviers orgel bestaande uit hoofdwerk en bovenwerk van in totaal 14 stemmen met gebruikmaking van goed oud pijpwerk en de blaasbalgen voor 2850 gulden (minus 500 gulden voor het oude orgel).

Men kiest voor een mix van plan A en B. Het contact wordt getekend op 9 september 1848. Er kwam een nieuwe windlade die een klavieromvang van C-f3 mogelijk maakte. In de vier tussenvelden werd het labiumverloop van V-vormig veranderd in een vrij vlak verlopende dalende en stijgende lijn. Het blinderingssnijwerk in deze velden werd vernieuwd. De dispositie werd veranderd. De kas werd rechtgezet maar bleef op haar plaats. Voor de reparatie van de balgen was in mei 1848 reeds 200 gulden betaald. Al met al kwamen de kosten uit op 1285,80 gulden. Op 22 juli 1849 bespeelde R. Frank uit Leeuwarden het orgel bij de ingebruikname en ’s middag nogmaals bij een concert t.b.v. de armen. Een halve eeuw later stonden kerkgebouw en orgel er jammerlijk verwaarloosd bij. De richtingenstrijd had haar tol geëist. In een bedelbrief t.b.v. het kerkherstel d.d. november 1897 worden kerk en orgel als volgt beschreven: “Geen stoel in het ruim is bruikbaar en wie de krakende en zuchtende blaasbalg in beweging brengt, jaagt stofwolken omhoog uit de open orgelpijpen en hoort de hangende toetsen jammerlijke toonen voortbrengen, krijschend en gillend, als zongen ze een klaaglied over de verwoesting die hier over alles is gegaan”.

In 1897/98 is met veel moeite (er kwamen giften uit heel Nederland) het kerkgebouw gerestaureerd. Het orgel werd door de firma Bakker & Timmenga voor een bedrag van fl. 160,- hersteld. In 1927 deed ds. J.P. Snoep zijn intrede als predikant van deze gemeente. Hij heeft geijverd voor vernieuwing van het orgel. Oktober 1927 voert hij besprekingen met Johannes Vaas de directeur van de NV Van Dam. Eind november verschijnt Vaas op een gezamenlijke vergadering van kerkenraad en kerkvoogdij. Restauratie van het bestaande orgel moet fl. 1900,- kosten. Een geheel nieuw instrument fl. 3600,-. Men wil de oude kas behouden en het oude ‘binnenwerk’ levert fl. 490,- op, zodat de prijs uiteindelijk wordt vastgesteld op fl. 2775,-. Een maand later besluit men nog twee koppelingen bij te bestellen voor fl. 120,-. De ingebruikname vond plaats op donderdag 28 juni 1928. Ds. H.W.M. Hupkes jr. uit Zwaagwesteinde verzorgde ‘zang en orgel’ zo is te lezen in de notulen. De notulist besluit met de woorden: “Moge dit nieuwe orgel voor vele geslachten medewerken tot verheffing van den zorg in den dienst des Woords en der Sacramenten”. Enkele weken later wordt het orgel gekeurd door niemand minder dan Jan Zwart. Deze stelt enige veranderingen voor “welke door Van Dam zullen worden uitgevoerd” zo schrijft de notulist. Tot slot besluit men op 2 januari 1929 een koperen gedenkplaatje in de nieuwe ‘binnenbouw’ te monteren met datum der stichting etc.

De N.V. Orgelfabriek P. van Dam te Leeuwarden stond onder leiding van Johannes Vaas, maar was eigendom van de familie Dekker te Goes. In werkelijkheid kwam het nieuwe binnenwerk uit de werkplaatsen van Dekker in Goes. Het nieuwe pneumatische speeltuig kreeg acht registers op het manuaal en één pedaalstem, plus de nodige speelhulpen. Twee jaar na de nieuwbouw nam ds. Snoep op 9 maart 1930 afscheid van Sint Annaparochie wegens vertrek naar Nijehaske. “De in grooten getale opgekomen gemeente beluisterde met ontroerde aandacht de laatste prediking van den geachten leraar”.

In 1932 leent men fl. 332,- bij notaris Timmer om een orgelmotor aan te schaffen. In 1935 wordt er 15 gulden betaald aan orgelmaker De Koff uit Utrecht om het orgel te onderzoeken. In datzelfde jaar was ook fl. 45,45 betaald aan Jan van der Bliek, de nieuwe directeur van de NV Van Dam, voor een reparatie en fl. 30,- voor het stemmen. Viel het instrument wellicht tegen? Hoe het ook zij, men blijft bij de firma Van Dam.

De door de notulist in 1928 geuite wens dat het orgel “vele geslachten” mee zou gaan kwam niet uit. Veertig jaar later was het instrument ‘tot op de draad’ versleten. In 1981 kwam het definitieve einde en werd de orgelkas leeg gehaald. Organoloog Victor Timmer uit Leek ontdekte ooit in een geschriftje van de fa. Dekker dat materiaal afkomstig van het oude Stannebuurster orgel door deze orgelmakers was verwerkt in een ‘nieuw’ orgel voor de Chr. Geref. kerk in De Krim (Ov.). In 1980 werd het daar vervangen door een nieuw orgel van orgelbouwer Reil uit Heerde die het oude ingenomen zou hebben. Historische onderdelen (acht reeksen pijpen) bleven gelukkig bewaard en wachten nog steeds op een reconstructie van het Radeker/Van Dam-orgel te Sint Annaparochie. In 2027 is het drie eeuwen geleden dat het orgel in gebruik is genomen en honderd jaar dat het verdween. Een mooie aanleiding om eens na te gaan denken over een reconstructie. Het kost een paar centen, maar ‘dan hewwe je oek wat’! De fraaie kerk en orgelkas verdienen dat!

AD FAHNER

Bij het schrijven van dit artikel heb ik gebruik gemaakt van het adviesrapport geschreven door Jan Jongepier in 1997; het artikel geschreven door Victor Timmer (Een rehabilitatie voor Radeker?) in het blad van de St. Alde Fryske Tsjerken nr. 8, juni 2013; en het archief van de Hervormde kerk van St. Annaparochie, aanwezig in Tresoar (Toegang 244-03).


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard